Conventionele MRI-criteria helpen onderscheid te maken tussen progressieve ziekte en behandelingsgerelateerde effecten bij hooggradig glioom

november 2022 Wetenschap Willem van Altena

Radiologische achteruitgang na bestraling van een hooggradig (WHO graad 3-4) glioom (HGG) is mogelijk te wijten aan ziekteprogressie of aan behandelingsgerelateerde effecten (‘treatment-induced effects’, TIE). Het is van groot belang onderscheid tussen deze twee mogelijke oorzaken te maken, maar het is diagnostisch uitdagend. In deze studie is de diagnostische waarde van conventionele MRI-karakteristieken onderzocht bij het differentiëren tussen ziekteprogressie en TIE bij HGG.

MRI-karakteristieken van glioomlaesies

In een single-center retrospectieve cohortstudie werden in totaal 210 volwassen patiënten met HGG geïncludeerd die waren behandeld met radiotherapie of chemoradiatie, en die op een conventionele follow-up MRI nieuwe of groeiende laesies lieten zien. TIE en progressieve ziekte werden radiologisch gedefinieerd als zijnde stabiel of afgenomen gedurende 6 weken of meer, of conform respons evaluatie in NeuroOncology progressie en histologie als TIE zonder progressieve ziekte. Twee neuroradiologen beoordeelden 21 vooraf geselecteerde MRI-karakteristieken van progressieve laesies. De statistische analyse omvatte logistieke regressie om tot een compleet multivariabel model te komen, een diagnostisch model met modelreductie, en een Cohen kappa interrater reliability (IRR) coëfficiënt.

Voorspellende karakteristieken voor progressie

In totaal werden 210 patiënten (mediane leeftijd 61 jaar, 189 mannen) met 284 laesies geïncludeerd, waarvan er bij 141 (50%) sprake was van progressieve ziekte. Mediane tijd tot progressieve ziekte was 2 maanden (bereik: 0,7 tot 6,1), en tot TIE 0,9 maanden (bereik: 0,7 tot 3,5) na radiotherapie. Na multivariabele modellering en modelreductie kwamen de volgende bepalende factoren naar voren: stralingsdosis (odds ratio (OR): 0,68 [95% BI] 0,49–0,93), langere tijd tot progressie (TTP; OR: 3,56 [95% BI] 1,84–6,88), marginale enhancement (OR: 2,04 [95% BI] 1,09–3,83), soap bubble enhancement (OR: 2,63 [95% BI] 1,39–4,98), en isointens apparent diffusion coefficient (ADC)-signaal (OR: 2,11 [95% BI] 1,05–4,24). ORs >1 wijzen op een groter risico op ziekteprogressie. De Hosmer & Lemeshow test gaf goede calibratie aan (p = 0,947) en het gebied onder de ROC-curve was 0,722 ([95% BI] 0,66–0,78). In de glioblastoom subgroep waren TTP, marginale enhancement en ADC-signaal significant. IRR analyse tussen neuroradiologen gaf een grote mate van overeenstemming bij de voorspellende onderdelen, maar weinig overeenstemming bij andere.

Conclusie

Het blijkt dat een aantal karakteristieken bij conventionele MRI’s significante voorspellers kunnen zijn bij het onderscheiden van progressieve ziekte en behandelingsgerelateerde effecten. De IRR was echter variabel. Conventionele MRI-karakteristieken zouden opgenomen moeten worden in een multimodaal diagnostisch model met geavanceerde beeldvormende technieken.

Referentie

Files CM, van Leuken KH, ten Voorde M, et al. Conventional MRI criteria to differentiate progressive disease from treatment-induced effects in high-grade (WHO grade 3-4) gliomas. Neurology 2022;99:e77-e88.

X