Effectiviteit HSCT vergeleken met hoog-effectieve DMT’s bij RRMS-patiënten

oktober 2023 ECTRIMS 2023 Marjolein Haakman-Groot
Antonio Scalfari

Een autologe hematopoëtische stamceltransplantatie is een behandeling die tot gunstige uitkomsten kan leiden bij mensen met een actieve vorm van MS. Er is echter nog geen algehele consensus over de implementatie hiervan en er zijn beperkte gegevens beschikbaar over hoe de effectiviteit zich verhoudt tot hoog-effectieve ziektemodulerende therapieën. Tijdens MSMilan2023 presenteerde Antonio Scalfari (Imperial College London, Londen, Verenigd Koninkrijk) de resultaten van een ‘head-to-head’-vergelijking tussen deze verschillende behandelopties.

Een autologe hematopoëtische stamceltransplantatie (HSCT) wordt meestal overwogen bij mensen met ‘relapsing-remitting’ MS (RRMS) die onvoldoende reageren op andere behandelingen. De geschiktheid van de behandeling voor de patiënt wordt overwogen op basis van individuele ziekte- en gezondheidsfactoren. De behandeling kan namelijk ernstige bijwerkingen met zich meebrengen, zoals infecties en gastro-intestinale problemen. Patiënten moeten daarom zorgvuldig worden gescreend en geïnformeerd over de mogelijke risico’s. Hoog-effectieve ziektemodulerende therapieën (‘disease-modifying therapies’, DMT’s) zijn ook een mogelijkheid voor mensen met MS die een actieve ziekte vertonen ondanks het gebruik van een gemiddeld- of laag-effectieve DMT De inzet van deze therapieën kan echter ook leiden tot ernstige bijwerkingen.

Studiedesign

In de nieuwe studie werden de gegevens van 557 RRMS-patiënten retrospectief geanalyseerd. Van hen hadden 103 een HSCT ondergaan, 204 deelnemers hadden minstens 2 cycli alemtuzumab (ATZ, 12 mg intraveneus) ontvangen en 250 deelnemers hadden zesmaandelijks ocrelizumab (OCZ, 600 mg) toegediend gekregen. Deelnemers waren bij aanvang van de studie 18-65 jaar oud, de ziekteduur was minder dan 15 jaar en de EDSS-score was ≤6,5. Ze hadden minstens eenmaal een behandeling met een DMT gefaald, wat werd gedefinieerd als ≥1 relaps en/of MRI-activiteit tijdens de behandelingsperiode. De kenmerken bij aanvang van de studie werden gebalanceerd aan de hand van ‘propensity score overlap weighting’ (PSOW). De belangrijkste eindpunten van de studie waren de jaarlijkse relapsfrequentie (‘annual relapse rate’, ARR), nieuwe MRI-activiteit en ziekte-invaliditeitsprogressie danwel -verbetering.

Resultaten

Deelnemers in de HSCT-, ATZ- en OCZ-groep werden gemiddeld voor respectievelijk 45, 45 en 35 maanden gevolgd. Na PSOW waren de klinische en radiologische kenmerken goed gebalanceerd. Gedurende de follow-upperiode was de gemiddelde ARR significant lager met HSCT (ARR: 0,020) vergeleken met ATZ (ARR: 0,078; p<0,001) en OCR (ARR: 0,067; p=0,021). Ook het cumulatieve relapsrisico was lager met HSCT dan met AZT (HR: 0,24; p=0,001), maar niet significant lager dan met OCR (HR: 0,40; p=0,063). Tevens was de kans op nieuwe MRI-activiteit vergelijkbaar tussen HSCT en OCR (HR: 1,03; p=0,96) maar wel lager met HSCT dan met AZT (HR: 0,34; p=0,012).

Ten slotte bleek dat de HSCT-groep een grotere kans vertoonde op bevestigde ziekte-invaliditeitsverbetering in vergelijking met de AZT-groep (HR: 2,68; p=0,045), en een vergelijkbare kans op verbetering met de OCZ-groep (HR: 0,89; p=0,77). Er waren geen significante verschillen tussen de verschillende groepen wat betreft de kans op ziekte-invaliditeitsverslechtering (HR: 0,95; p=0,80 met HSCT versus ATZ en HR: 1,06; p=0,86 met HSCT versus ATZ). 

Bijwerkingen

De meest voorkomende infectiegerelateerde bijwerkingen die bij HSCT werden gezien waren Epstein-Barr virus (EBV)-reactivatie (bij 48,8% van deelnemers), koorts met positieve bloedcultuur (26,7%) en een blaasontsteking (13,7%). Daarnaast ontstond er hypervolemie bij 44,1% van de patiënten, ernstige niet-infectiegerelateerde diarree bij 41% van de deelnemers en had 25,5% van de deelnemers last van misselijkheid of overgeven.

Conclusie

Dr. Scalfari concludeert dat HSCT in deze studie superieure effectiviteit vertoonde ten opzichte van een behandeling met alemtuzumab in het voorkomen van relapsen en MRI-activiteit. Vergeleken met ocrelizumab vertoonde HSCT beperkte superioriteit in het voorkomen van relapsen, met een vergelijkbaar effect op het voorkomen van MRI-activiteit. Hierbij wordt opgemerkt dat alemtuzumab vaak bij meer actieve ziekte wordt voorgeschreven en ocrelizumab bij minder actieve ziekte. Er werd geen verschil gezien tussen de drie behandelingsmogelijkheden in het voorkomen van ziekte-invaliditeitsprogressie. Wel hadden mensen die een HSCT hadden ondergaan een hogere kans op het ontwikkelen van een verbetering in de ziekte-invaliditeit, ten opzichte van patiënten behandeld met alemtuzumab.

Referentie

Scalfari A, et al. Autologous hematopoietic stem cells transplantation vs alemtuzumab and ocrelizumab in multiple sclerosis: a real-world comparison. Gepresenteerd tijdens MSMilan2023; abstract 1507/O071.