Vroege niet-invaliderende relapsen en invaliditeitsprogressie bij RRMS

november 2022 ECTRIMS 2022 Jeroen Beekwilder
Cyrus Daruwalla, MD

Bij mensen met ‘relapsing-remitting’ MS zijn niet-invaliderende relapsen in de eerste twee jaar van hun ziekte geassocieerd met een groter risico op invaliditeitsprogressie op lange termijn. Bij gebruik van hoog-effectieve ziektemodulerende medicatie verdwijnt dit verschil. Dit blijkt uit een retrospectieve analyse door dr. Cyrus Daruwalla (University of Cambridge, Verenigd Koninkrijk) van gegevens uit het internationale MSBase MS-register.

Bij de keuze voor een specifieke MS-behandeling voor mensen met ‘relapsing-remitting’ MS (RRMS) wordt onder meer gekeken naar het voorkomen van invaliderende relapsen. Bij patiënten met niet-invaliderende relapsen is het de vraag wat de prognostische waarde is van de relapsen en in hoeverre deze relapsen ook meegewogen moeten worden bij de keuze voor een behandeling. De onderzoekers wilden middels een retrospectief onderzoek vaststellen of niet-invaliderende relapsen vroeg in het beloop van RRMS gepaard gaan met een snellere accumulatie van invaliditeit in vergelijking met de afwezigheid van dergelijke relapsen. Een tweede doel van de onderzoekers was om te kijken of er een verschil was in invaliditeitsprogressie tussen mensen die in de eerste fase van hun ziekte invaliderende relapsen hadden versus mensen die in diezelfde fase niet-invaliderende relapsen hadden.

Studieopzet

In de studie werd gebruik gemaakt van MSBase, het grootste internationale MS-register met circa 80.000 patiënten uit 41 landen, waaronder Nederland. De ernst van de relaps werd door de behandelend arts geclassificeerd als mild, matig of ernstig. Daarbij was mild gedefinieerd als niet beperkend voor dagelijkse activiteiten van de patiënt, van matig is sprake als de dagelijkse activiteiten wel zijn beperkt, en ernstig wanneer ziekenhuisopname vereist is. Milde relapsen werden beschouwd als niet-invaliderend en de matig of ernstige relapsen als wel-invaliderend. Patiënten werden verdeeld over drie groepen:

  1. Geen relapsen in de eerste twee jaar na de diagnose definitieve MS.
  2. In de eerste twee jaar na de diagnose definitieve MS alleen niet-invaliderende relapsen.
  3. In de eerste twee jaar van de ziekte minimaal één invaliderende relaps.

Patiënten werden gestratificeerd op basis van de hoogst-effectieve ziektemodulerende behandeling die zij gedurende de follow-up hadden genoten. De primaire uitkomst van de studie was een 90-dagen bevestigde toename van de EDSS-score met 1,0, óf 1,5 wanneer de baseline EDSS-score 0 was, óf 0,5 bij een baseline EDSS-score van 5 of hoger. Er werd gebruikgemaakt van Cox proportional-hazardsmodel, waarbij werd gecorrigeerd voor een aantal factoren waarvan bekend is dat deze een effect hebben op de uitkomst, zoals leeftijd en jaar van inclusie. De primaire analyse in de studie was de vergelijking tussen groep 1 en 2. De secundaire analyse was de vergelijking tussen groep 2 en 3.

Risico op progressie bij niet-invaliderende relapsen

De patiëntkenmerken tussen de groepen waren goed in balans. Gecorrigeerd voor de covariabelen in het model was het risico op invaliditeitsprogressie bij onbehandelde patiënten significant verhoogd met bijna 30% (HR 1,29; 95%-BI 1,00-1,68). Voor de patiënten die werden behandeld met eerstelijns of matig-effectieve MS-middelen was dit verschil vergelijkbaar met een hazardratio van 1,33 (95%-BI 1,15-1,54). Bij de groep patiënten die werden behandeld met hoog-effectieve MS-behandelingen (monoklonale antilichamen, cladribine, S1P-modulatoren, stamceltherapie) was echter geen verschil meetbaar tussen de groep patiënten die niet-invaliderende relapsen hadden in de eerste twee jaar van hun ziekte en de patiënten die geen relapsen hadden in die periode (HR [95%-BI]: 0,90 [0,71-1,13]).

De secundaire analyse was een vergelijking tussen patiënten die alleen niet-invaliderende relapsen vertoonden versus patiënten met minimaal één invaliderende relaps in de vroege fase van RRMS. Tussen deze twee groepen werd geen significant verschil gevonden in invaliditeitsprogressie (bij patiënten behandeld met hoog-effectieve therapie HR: 0,83; bij onbehandelde patiënten HR: 0,77). De onderzoekers geven echter aan dat dit mogelijk is te wijten aan kleinere aantallen patiënten waardoor sprake is van minder statistische power.

Daruwalla sluit af met de conclusie dat – in tegenstelling tot de EMA-adviezen – niet invaliderende relapsen ook meegenomen dienen te worden bij de keuze voor een ziektemodulerende therapie.

Referentie

Daruwalla C, Shaygannejad V, Ozakbas S, et al. Early non-disabling relapses are associated with a higher risk of disability accumulation in people with relapsing-remitting multiple sclerosis. Gepresenteerd tijdens ECTRIMS; abstract O178.