DIAGNOSTIEK

Geavanceerde beeldvorming bij het acute herseninfarct: de volgende stap of een stap te ver?

TNN - jaargang 122, nummer 1, februari 2021

dr. B.J. Emmer , prof. dr. C.B.L.M. Majoie

Lees verder

De rol van geavanceerde CT-beeldvorming in de diagnostiek en behandeling van het acute herseninfarct

TNN - jaargang 122, nummer 1, februari 2021

dr. A.A. Postma , drs. F.A.V. Pirson , drs. F.M.E. Pinckaers , dr. R. Lemmens , prof. dr. R.J. van Oostenbrugge , drs. S.G.L. Thielemans

SAMENVATTING

Conventionele beeldvorming met non-contrast-CT speelt al jaren een belangrijke rol in de diagnostiek van het herseninfarct. Het faciliteert snelle besluitvorming rondom intraveneuze trombolyse en kan in de acute setting de work-up versnellen bij bijvoorbeeld het aantonen van een ‘hyperdense vessel sign’. De standaardcombinatie met CT-angiografie is niet alleen van belang voor de besluitvorming tot endovasculaire behandeling, maar heeft ook prognostische waarde op basis van de beoordeling van de mate van collateralen en fungeert als ‘roadmap’ voor interventionalisten. CT-perfusie (CTP) is een geavanceerdere techniek en kan als surrogaatmarker voor het onderscheid tussen weefsel met reversibele schade (de penumbra) en weefsel met irreversibele schade (de infarctkern) worden gebruikt. Een gunstige perfusiemismatch tussen deze 2 gebieden wordt gebruikt voor de selectie van patiënten voor acute behandeling in het late tijdsinterval. Daarnaast kunnen perfusiebeelden in combinate met CT-angiografie de detectie van intracerebrale occlusies vergemakkelijken. Voor adequaat gebruik van CTP is een correcte technische uitvoering van groot belang. Ook dient men rekening te houden met fout-negatieve en fout-positieve resulaten, waarbij het betrekken van het klinisch beeld immer van belang is. Goede samenwerking tussen radiologen en neurologen en juiste technische en klinische kennis is daarbij essentieel voor correct gebruik in de dagelijkse praktijk. Dit artikel belicht de waarde en de valkuilen van het gebruik van CT in de klinische besluitvorming rondom het herseninfarct.

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2021;122(1):27-36)

Lees verder

Biomarkers bij kinderen met traumatisch hoofd/hersenletsel

TNN - jaargang 121, nummer 3, juni 2020

prof. dr. R.J. Vermeulen

Lees verder

Biomarkers bij kinderen met traumatisch hoofd/hersenletsel

TNN - jaargang 121, nummer 3, juni 2020

dr. A. Verrips , dr. G. Hageman , dr. J. Nihom , prof. dr. J. van der Naalt , dr. Z. Metting

SAMENVATTING

Dit artikel geeft een overzicht van de literatuur over de rol van biomarkers als voorspeller voor CT-afwijkingen en van klinische uitkomst na hersenletsel bij kinderen. Bij kinderen zijn de klinische verschijnselen na een licht traumatisch hoofd/hersenletsel geen betrouwbare voorspellers voor een intracraniële traumatische afwijking. De vraag is of biomarkers wel CT-afwijkingen kunnen voorspellen. Dat zou bijdragen aan een reductie van het aantal CT-scans en van de stralingsbelasting. Met gebruik van leeftijdsafhankelijke afkapwaarden blijken S-100 β en ‘ubiquitin c-terminal hydrolase’ (UCH-L1) en in mindere mate ‘glial fibrillary acidic protein’ (GFAP) goede voorspellers voor een negatieve CT-scan. GFAP en UCH-L1 zijn daarnaast veelbelovend als voorspellers voor intracraniële CT-afwijkingen bij kinderen met een licht traumatisch hoofd/hersenletsel. Deze biomarkers correleren ook met de klinische verschijnselen van het hersenletsel en de MRI-afwijkingen. Ook komt de rol van biomarkers aan bod bij kinderen met ernstiger hersenletsel als betrouwbare voorspellers van de uitkomst. Implementatie van combinaties van biomarkers in de diagnostiek van traumatisch hoofdletsel bij kinderen dient een tweeledig doel: betere voorspelling van de uitkomst én het realiseren van minder CT-scans.
(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2020;121(3):130–5)

Lees verder

Primair centraalzenuwstelsellymfoom: een behandelbare hersentumor

TNN - jaargang 121, nummer 2, april 2020

dr. J.E.C. Bromberg , dr. J.K. Doorduijn , drs. M. van der Meulen , prof. dr. M.J. van den Bent

SAMENVATTING

Het primaire centraalzenuwstelsellymfoom is een zeldzame vorm van een non-hodgkinlymfoom dat zich beperkt tot de hersenen, de leptomeningen, het ruggenmerg en de ogen. De incidentie is de afgelopen jaren toegenomen en de prognose is verbeterd. Dit laatste komt met name door veranderingen in de behandeling. In de zoektocht naar de beste behandeling wordt naast een betere overleving ook gekeken naar het effect van de behandeling op het cognitief functioneren en de kwaliteit van leven. De tumor is zeldzaam, maar kan leiden tot snelle achteruitgang. Dit brengt diagnostische en therapeutische dilemma’s met zich mee. Dit artikel biedt een klinisch overzicht van de huidige inzichten met betrekking tot diagnostiek en behandeling.

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2020;121(2):79–84)

Lees verder

De voorarm-, vinger- en duimroltest: klinische tests voor de detectie van subtiele centrale hemiparese

TNN - jaargang 120, nummer 5, oktober 2019

E. Van Looy , dr. G. Helsen , dr. H. De Cauwer

SAMENVATTING

Ondanks technologische evoluties, waaronder de verbetering van de medische beeldvorming tijdens de voorbije decennia, blijven klinisch onderzoek en anamnese in de neurologie de hoeksteen van de diagnostiek. Dit artikel beschrijft enkele eenvoudige ‘bedside’ klinische tests die nuttig zijn bij de evaluatie van een centrale hemiparese wanneer het routine klinische onderzoek negatief of twijfelachtig is, met name de voorarm-, vinger- en duimroltest. Bij rond elkaar roterende bewegingen van respectievelijk de voorarmen, wijsvingers of duimen is een asymmetrische vertraging indicatief voor een centrale hemiparese.
(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2019;120(5):190–3)

Lees verder

Diagnostiek van carpaletunnelsyndroom: de nieuwe richtlijn in de praktijk

TNN - jaargang 120, nummer 4, augustus 2019

dr. E. van Zwet , dr. E.L.L.M. De Schryver , F.I. Kerkhof MSc, dr. M. Datema , dr. M.R. Tannemaat , S.R.H. Vink

SAMENVATTING

De recent gepubliceerde richtlijn Carpaletunnelsyndroom (CTS) adviseert geen aanvullende diagnostiek te verrichten bij klassiek CTS en beschouwt zenuwgeleidingsonderzoek en zenuwechografie als gelijkwaardige onderzoeken, met een voorkeur voor de zenuwecho vanwege de geringere belasting. Deze aanbevelingen werden getoetst in de klinische praktijk middels een prospectief onderzoek in 2 onafhankelijke centra. De resultaten steunen het advies dat aanvullend onderzoek niet nodig is bij klassiek CTS. In tegenstelling tot wat de richtlijn stelt heeft zenuwechografie een significant lagere diagnostische opbrengst in de deelnemende centra dan het zenuwgeleidingsonderzoek. De nieuwe richtlijn minimaliseert het ongemak voor de patiënt, maar zal tot gevolg hebben dat patiënten vaker 2 onderzoeken moeten ondergaan. Diagnostiek naar CTS middels zenuwechografie kan alleen doelmatig plaatsvinden in klinieken waar zenuwgeleidingsonderzoek tegelijkertijd beschikbaar is.
(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2019;120(4):151–7)

Lees verder
X