FARMACOTHERAPIE

Medicamenteuze behandeling van cerebrale en spinale spasticiteit bij volwassenen

TNN - 2022, nummer 7, november 2022

prof. dr. A.C.H. Geurts , prof. dr. C.G.M. Meskers , prof. dr. V. de Groot

SAMENVATTING

Spasticiteit is een veelvoorkomend probleem bij patiënten met centraal neurologische aandoeningen. Behandeling vraagt een zorgvuldige analyse en afweging. De diagnostiek, indicatiestelling, behandeling en evaluatie van spasticiteit worden echter nog gehinderd door gebrek aan uniformiteit in definitie, terminologie, meetmethoden en uitkomstmaten. Het begrip ‘spasticiteit’ verwijst in engere zin naar toegenomen spieractivatie bij snelheidsafhankelijke passieve rek, maar dit is slechts 1 aspect van de ‘spastische parese’ zoals deze zich klinisch manifesteert. Het is bovendien essentieel om onderscheid te maken in neurale en niet-neurale componenten die bijdragen aan toegenomen gewrichtsweerstand: alleen de neurale componenten kunnen medicamenteus worden beïnvloed. Het verschijnen van ‘evidence-based’ behandelrichtlijnen draagt bij aan zinvolle diagnostiek en behandeling van spasticiteit. Dit artikel biedt een overzicht van de huidige consensus omtrent medicamenteuze behandeling in het bredere perspectief van de hulpvraag van de patiënt.

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2022;123(7):313–20)

Lees verder

Anesthesie voor patiënten met een neuromusculaire aandoening

TNN - 2022, nummer 6, oktober 2022

dr. L. Heytens , drs. L.R. van den Bersselaar , M. Gashi BSc, dr. M.M.J. Snoeck , dr. N.C. Voermans

SAMENVATTING

Anesthesie voor patiënten met een neuromusculaire aandoening is complex en risicovol. Veel neuromusculaire aandoeningen zijn multisysteemaandoeningen waarbij sprake is van respiratoire en/of cardiale betrokkenheid, metabole stoornissen, een moeilijke luchtweg en een veranderde farmacodynamiek van opiaten, sedativa en spierverslappers. De literatuur over dit onderwerp is veelal beperkt tot publicaties in anesthesiologische tijdschriften. Tijdens de 259th European Neuromuscular Centre International Workshop on Anaesthesia and Neuromuscular disorders hebben 30 experts op het gebied van anesthesiologie, neuromusculaire aandoeningen en genetica een ‘consensus statement’ opgesteld met aanbevelingen voor anesthesie en de perioperatieve zorg voor patiënten met een neuromusculaire aandoening. Een multidisciplinaire preoperatieve beoordeling door anesthesiologen, cardiologen, longartsen, chirurgen, genetici, en neurologen, afhankelijk van de specifieke gegevens per patiënt, is essentieel. Succinylcholine dient te worden vermeden, vanwege het verhoogde risico op rabdomyolyse en/of hyperkaliëmie, of myotone reacties. De dosis van de niet-depolariserende spierverslappers moet worden verlaagd en het effect worden gedoseerd door monitoring van de neuromusculaire functie. Patiënten met varianten in de genen RYR1, CACNA1S en STAC3 hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van een maligne hyperthermiereactie bij blootstelling aan succinylcholine en/of dampvormige anesthetica. In dit artikel wordt een overzicht gegeven van aanbevelingen voor anesthesie bij patiënten met verschillende neuromusculaire aandoeningen.

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2022;123(6):263–75)

Lees verder

De behandeling van clusterhoofdpijn

TNN - jaargang 123, nummer 4, june 2022

Prof, dr. F. Huygen , dr. L.A. Wilbrink , prof. dr. M.D. Ferrari , dr. R. Fronczek , drs. R.B. Brandt , dr. W. Mulleners

SAMENVATTING

Clusterhoofdpijn is een relatief zeldzame, primaire hoofdpijn met frequente, kortdurende (15 min-3 uur) aanvallen van extreme unilaterale pijn rondom, achter of naast 1 oog, ipsilaterale autonome verschijnselen in het gelaat en/of bewegingsdrang. Bij episodische clusterhoofdpijn komen de aanvallen in clusters van enkele weken tot maanden afgewisseld met aanvalsvrije perioden van enkele maanden tot jaren. Bij chronische clusterhoofdpijn ontbreken de aanvalsvrije perioden of duren deze maximaal 3 maanden. Aanvallen kunnen effectief worden bekort met sumatriptan 6 mg subcutaan of 100% zuurstof 7–12 l/min gedurende 15 minuten met een ‘non-rebreathing’-masker. Tegelijkertijd dient ook profylactische behandeling te worden gestart om aanvallen te voorkomen. Eerste keus is verapamil 120 mg zo nodig langzaam titreren tot maximaal 960 mg daags onder ECG-controle. Tweede keus zijn topiramaat en (voor chronische clusterhoofdpijn) lithium. Bij de episodische vorm is een injectie ter plekke van de nervus occipitalis major eenzijdig aan de zijde van de clusterhoofdpijn met een corticosteroïd vaak erg effectief. Stimulatie van deze zenuw (dubbelzijdig) kan aanvallen voorkomen bij chronische clusterhoofdpijn.

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2022;123(4):158–67)

Lees verder

Clusterhoofdpijn: een uitdaging

TNN - jaargang 123, nummer 4, june 2022

dr. J.A. Carpay

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2022;123(4):156–7)

Lees verder

Farmacotherapie bij het lumbosacraal radiculair syndroom

TNN - jaargang 123, nummer 3, mei 2022

dr. B.A. Brouwer , drs. B.C. ter Meulen , drs. E.J. Wouda , prof. dr. G.J. Groeneveld , drs. M.A.M.B. Terheggen , drs. T.J.J. Cornelissen

SAMENVATTING

Patiënten met een lumbosacraal radiculair syndroom op basis van een hernia nucleus pulposi hebben over het algemeen een zeer gunstige prognose. Bij 70% van de patiënten vermindert of verdwijnt de uitstralende pijn na 3 maanden. Van groot belang is optimale pijnbestrijding gedurende deze periode, om patiënten de mogelijkheid te bieden het natuurlijke beloop af te wachten. Er bestaat een discrepantie tussen het waargenomen effect van pijnstillers in de praktijk en de beperkte conclusies uit wetenschappelijk onderzoek. Geadviseerd wordt om patiënten (tijdcontingent) te behandelen volgens de WHO-pijnladder, waarbij in de acute fase geen rol is voor neuropathische analgetica (tricyclische antidepressiva, alfa-2-delta-liganden) of benzodiazepinen. Bij uitblijven van spontaan herstel of bij ernstige pijn zijn eventuele vervolgstappen een transforaminale epidurale steroïdeninjectie of discectomie. Wanneer de pijn chronisch wordt, is analyse volgens het biopsychosociale model van belang en is een multidisciplinaire aanpak geïndiceerd. In deze fase kan tevens een verwijzing naar pijnrevalidatie of een pijnpolikliniek worden overwogen.

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2022;123(3):104–9)

Lees verder

Ingezonden brief

TNN - volume 16, nummer 1, februari 2022

dr. J.J. Swen , dr. N.D. Kruyt , dr. R.P. Kloppenborg

Met interesse lazen wij het artikel ‘De rol van CYP-polymorfisme in de secundaire preventie van een TIA of herseninfarct’ van Meelis et al.1 Het artikel geeft een fraai overzicht van een belangrijk en actueel dilemma uit de klinische praktijk: clopidogrelresistentie bij CYP2C19-polymorfismen.

Wij maken wel graag 1 kanttekening bij de gesuggereerde strategie om de dosering clopidogrel te verdubbelen bij de zogenoemde ‘intermediate metabolizers’. De gepubliceerde farmokinetische studies waarin deze strategie is onderzocht, laten zien dat mogelijk nog hogere doseringen clopidogrel (minimaal 225 mg, driedubbele dosering) noodzakelijk zijn om vergelijkbare plaatjesinhibitie te krijgen als met de normale dosering clopidogrel bij ‘normal metabolizers’.2,3 Daarnaast toont een meta-analyse aan dat er een verhoogde plaatjesreactiviteit is (RR: 1,69; 95%-betrouwbaarheidsinterval [BI]: 1,44–1,98, p<0,001) en een verhoogde kans op een cardiovasculaire uitkomstmaat (RR: 1,68; 95%-BI: 1,19–2,37; p=0,003) bij patiënten met minimaal 1 variantallel, die behandeld worden met een dubbele dosering clopidogrel in vergelijking met patiënten zonder variantallelen en een normale clopidogreldosering. 4 Alhoewel deze – vooral cardiovasculaire – data niet direct extrapoleerbaar zijn naar patiënten met een TIA of herseninfarct, lijkt er geen wetenschappelijke ondersteuning te zijn om de dosis clopidogrel bij patiënten met een CYP2C19-polymorfisme te verdubbelen. Dosisescalatie van clopidogrel wordt daarom ook afgeraden in de recentste richtlijn van de Clinical Pharmacogenetics Implementation Consortium.5 Wij zijn daarom van mening dat het primaire advies bij patiënten met een recidief-TIA of herseninfarct en een CYP2C19-polymorfisme passend bij een ‘intermediate metabolizer’ combinatietherapie met aspirine + dipyridamol óf een alternatieve plaatjesaggregatieremmer (zoals ticagrelor of prasugrel) is. De eerste behandelingswijze is bewezen gelijkwaardig aan clopidogrel.6 Door bijwerkingen van dipyridamol is de therapietrouw echter matig. De tweede optie sluit beter aan bij de acute behandeling, waarbij ticagrelor + aspirine bewezen superieur is aan clopidogrel + aspirine in de eerste 3 weken bij Aziatische personen.7 Hierbij ontbreken echter goede data over een lange termijn en bevestiging in een Kaukasisch cohort. Dit behoeft verder klinisch onderzoek.

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2022;123(1):19–20)

Lees verder

Geïnhaleerde levodopa voor het couperen van OFF-fases bij de ziekte van Parkinson

TNN - 2021, nummer 8, december 2021

dr. F. Grasmeijer , dr. M. Luinstra , P. Hagedoorn

SAMENVATTING

OFF-fases hebben een grote negatieve impact op de kwaliteit van leven van patiënten met de ziekte van Parkinson. Met orale levodopa zijn OFF-fases niet te voorkomen en slechts traag te couperen, met name door de variabele en onvoorspelbare absorptie via deze toedieningsroute. Pulmonale toediening van levodopa leidt tot snellere en betrouwbaardere absorptie, waardoor deze toedieningsroute een veelbelovend alternatief vormt voor het couperen van OFF-fases. Inmiddels zijn de eerste levodopadroogpoederinhalatoren in ontwikkeling of reeds geregistreerd. Daarmee zal op korte termijn duidelijk worden of de belofte van geïnhaleerde levodopa daadwerkelijk wordt ingelost.

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2021;122(8):377–81)

Lees verder
X