NEUROLOGIE

Zwangerschap bij de ziekte van Parkinson

TNN - jaargang 121, nummer 3, juni 2020

dr. B. Post , C. Bethlehem MSc, J.A. Hebbink MSc

SAMENVATTING

Zwangerschap bij patiënten met de ziekte van Parkinson is zeldzaam, aangezien de ziekte zich meestal presenteert na de fertiele levensjaren. Van de parkinsonpatiënten is echter 5% jonger dan 40 jaar bij het stellen van de diagnose. Daarnaast stijgt de gemiddelde maternale leeftijd in de Westerse wereld, waardoor zwangerschap bij de ziekte van Parkinson vaker voor zal komen. Goede counseling en behandeling zijn hierbij van groot belang voor zowel de maternale als de foetale gezondheid. Uit de beperkte literatuur blijkt dat er bij 50% van de vrouwen met de ziekte van Parkinson een verergering van de ziektesymptomen optreedt gedurende de zwangerschap. Bij adequate behandeling met antiparkinsonmedicatie gedurende de zwangerschap is de ziekte beter onder controle. De invloed van de ziekte van Parkinson op de zwangerschap is moeilijk te onderzoeken, aangezien er in de meeste gevallen ook medicatie is gebruikt, maar er lijkt geen verhoogd risico op zwangerschapscomplicaties en foetale malformaties te zijn. Over het gebruik van levodopa gedurende de zwangerschap is het meest bekend en dit lijkt veilig te zijn. Amantadine daarentegen moet worden vermeden tijdens de zwangerschap en bij vrouwen met een kinderwens. De data wat betreft de overige antiparkinsonmedicatie zijn te beperkt om zinvolle uitspraken over te doen, maar het lijkt verstandig om terughoudend te zijn met deze middelen. De ervaring met diepe hersenstimulatie en zwangerschap is beperkt, maar dit lijkt een veelbelovende therapie te zijn.
(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2020;121(3):97–104)

Lees verder

Neurofilament light: een veelzijdige biomarker voor axonale schade

TNN - jaargang 121, nummer 2, april 2020

prof. dr. ir. C.E. Teunissen , dr. E.A.J. Willemse , drs. I.M.W. Verberk

SAMENVATTING

Neurofilamenten zijn de intermediaire filamenten van het neuronaal cytoskelet die vrijkomen in de hersenvloeistof en het bloed als axonen beschadigd raken. Neurofilament lichte keten (NfL) blijkt bij diverse neurologische aandoeningen een goede biomarker in hersenvloeistof te zijn voor axonale schade. Het bepalen van NfL als biomarker kan helpen bij zowel het stellen van de diagnose en prognose, als het bepalen van de respons op behandeling bij een breed scala aan aandoeningen waarbij axonale schade optreedt, zoals inflammatoire, neurodegeneratieve, traumatische, infectieuze of ischemische neurologische condities. Nauwkeurige meting van NfL in bloed is pas recentelijk mogelijk geworden na de ontwikkeling van de NfL-test op ultragevoelige ‘single molecule array’-technologie. De NfL-concentratie in bloed correleert sterk met de concentratie in hersenvloeistof. Aangezien het mogelijk is om de NfL-concentratie in bloed herhaaldelijk te meten doordat bloedafname laag-invasief en eenvoudig is, kan aan de hand van de NfL-concentratie in bloed de ziekteprogressie worden gevolgd. De beoogde toepassing van NfL als een bloedbiomarker voor een breed scala aan neurologische ziekten biedt interessante mogelijkheden voor de diagnostiek, het bepalen van de prognose en het monitoren van de therapierespons.

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2020;121(2):47–52)

Lees verder

IgM-MGUS-polyneuropathie: een Overzicht

TNN - jaargang 121, nummer 2, april 2020

drs. E.H. Witvoet , G.M. van der Star , drs. M.H.J. Pruppers , prof. dr. N.C. Notermans

SAMENVATTING

Polyneuropathie is een veelvoorkomend ziektebeeld met een prevalentiecijfer van ongeveer 260.000 patiënten in Nederland. Een van de oorzaken die nog onvoldoende wordt (h)erkend is IgM ‘monoclonal gammopathy of undetermined significance’ (MGUS). Dit betreft de productie van een abnormaal IgM-immuunglobuline dat afkomstig is van een kloon van een plasmacel. De meerderheid van de patiënten met een IgM-MGUS-polyneuropathie ervaart grote problemen en beperkingen in het dagelijks leven, waarvoor hulpmiddelen noodzakelijk zijn.

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2020;121(2):53–7)

Lees verder

Een kind met acute ‘flaccid’ myelitis geassocieerd met enterovirus D68

TNN - jaargang 121, nummer 1, februari 2020

dr. C.M Hartdorff , dr. D.P. Bakker , dr. E.M.M. Strijbis , drs. J. Helfferich , drs. M. Hunfeld , dr. M.W. Alsem , prof. dr. O.F. Brouwer , dr. R.F. Neuteboom

SAMENVATTING

Het ziektebeeld acute ‘flaccid’ myelitis (AFM) kenmerkt zich door snel progressieve, ernstige en asymmetrische motorische uitvalsverschijnselen en is het gevolg van beschadiging van motorische voorhoorncellen in het ruggenmerg en de hersenstam. Het ziektebeeld kan gepaard gaan met hersenzenuwuitval en respiratoire insufficiëntie. AFM is geassocieerd met verschillende virussen, de laatste jaren steeds vaker met enterovirus D68 en A71. De symptomen komen grotendeels overeen met de verlammingsziekte veroorzaakt door het poliovirus. In de differentiaaldiagnose horen Guillain-Barrésyndroom en myelitis transversa.

Dit artikel beschrijft een 7-jarig meisje dat enkele dagen na een bovensteluchtweginfectie AFM ontwikkelde geassocieerd met enterovirus D68 (EV-D68). Deze diagnose werd gesteld op basis van het klinisch beeld, typische bevindingen op MRI en het aantonen van EV-D68 in neus-keelspoelsel.

In Nederland is met EV-D68 geassocieerde AFM nog een zeldzame aandoening die in de afgelopen 2,5 jaar bij 4 kinderen gediagnosticeerd is. Wereldwijd wordt een toename van de incidentie gezien met een piek in de herfstmaanden. Mede gezien de ernst van het klinisch beeld is nationale registratie van patiënten met AFM en surveillance van EV-D68 dringend gewenst. Een effectieve therapie ontbreekt, maar uit onderzoek bij muizen blijkt dat vroege behandeling met immuunglobulinen mogelijk een gunstig effect heeft op de ernst van de paresen. De prognose voor herstel is slecht.

Sinds het vrijwel uitroeien van het poliovirus zijn Nederlandse revalidatiecentra niet meer toegerust voor klinische revalidatie van beademde patiënten.

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2020;121(1):4–10)

Lees verder

Licht traumatisch hoofdletsel bij ouderen – oorzaken en gevolgen

TNN - jaargang 120, nummer 6, december 2019

dr. G. Hageman , dr. G. Roks , dr. J. Nihom , prof. dr. J. van der Naalt , dr. M.E. de Koning

SAMENVATTING

Jaarlijks bezoeken in Nederland bijna 100.000 mensen van 65 jaar of ouder een afdeling Spoedeisende Hulp (SEH) na een valongeval. Ongeveer de helft van hen wordt in het ziekenhuis opgenomen. Bij 15% van alle valongevallen bij ouderen is sprake van traumatisch hoofdletsel. Dit artikel beschrijft een onderzoek bij 211 ouderen met licht traumatisch hoofdletsel na een val, die zich presenteerden op de SEH van 1 van de 3 deelnemende Nederlandse ziekenhuizen. In dit artikel worden de traumamechanismen en de rol van onderliggende oorzaken zoals medicatiegebruik en comorbiditeit beschreven. Verder wordt ingegaan op mogelijke preventieve maatregelen voor ouderen.

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2019;120(6):207–11)

Lees verder

De ‘minimum clinically important difference’ (MCID): een te weinig gebruikte uitkomstmaat binnen de neurologie

TNN - jaargang 120, nummer 5, oktober 2019

dr. B.T.A. de Greef , prof. dr. C.G. Faber , dr. I.S.J. Merkies , dr. T.H.P. Draak

SAMENVATTING

De laatste jaren worden de nadelen van het enkel kijken naar statistische significantie meer en meer bekend bij zowel onderzoekers als clinici. Steeds vaker wordt daarom ook gevraagd naar de klinische relevantie van onderzoeksresultaten. In de praktijk blijkt echter dat veel neurologen moeite hebben met het op een juiste manier interpreteren van de klinische relevantie van onderzoeksresultaten of het zelf opstellen van klinisch relevante uitkomstmaten voor hun trials. Een in de literatuur steeds meer opkomende term voor het bepalen van klinische relevantie is de ‘minimum clinically important difference’ (MCID), oftewel het kleinst mogelijke verschil dat klinisch belangrijk is. Dit artikel is een handreiking om meer grip te krijgen op deze term. De ontstaanswijze en ontwikkeling, de methoden hoe een MCID op te stellen en de bijbehorende valkuilen worden beschreven. Ten slotte wordt het gebruik van de MCID in de dagelijkse praktijk en bij het opzetten en kritisch beoordelen van trials besproken.
(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2019;120(5):167–73)

Lees verder

Veranderende epidemiologie van -meningitis bij Volwassenen

TNN - jaargang 120, nummer 4, augustus 2019

dr. E.M. Vriens , dr. S.F.T. Thijsen , S.M. Uniken Venema

SAMENVATTING

Als gevolg van het vaccineren tegen Haemophilus influenzae, Neisseria meningitidis en Streptococcus pneumoniae daalt het aantal patiënten met een bacteriële meningitis in Nederland. Hierdoor is een lichte stijging te zien in het aandeel van L. monocytogenes als verwekker van bacteriële meningitis bij volwassenen. Deze ontwikkeling onderstreept het belang van de huidige richtlijn om bij verdenking op bacteriële meningitis laagdrempelig antibiotica tegen L. monocytogenes te geven. Bij patiënten met een verhoogd risico op een invasieve L. monocytogenes-infectie, zoals ouderen, immuungecompromitteerde patiënten en patiënten met kanker, adviseren we om L. monocytogenes in de differentiaaldiagnose op te nemen, hier diagnostiek naar te doen en eventueel gericht te behandelen wanneer deze patiënten zich presenteren met sepsis zonder bekende oorzaak.
(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2019;120(4):128-32)

Lees verder
X